De Labrador

Oorsprong van de Labrador retriever

De Labrador Retriever komt van de oostkust van Canada. Deze honden waren geliefd om hun apporteerlust.  In Engeland werd hun uiterlijk en reukvermogen verbeterd door kruising met verschillende jachthonden. De zo ontstane Labrador werd in Engeland zeer geliefd als apporterende jachthond, vooral vanwege zijn intelligentie, goede reukvermogen en ‘will to please’: zijn verlangen om de baas een plezier te doen.
Volgens de rasstandaard van de Labrador retriever, die in 1987 door de FCI werd overgenomen van de Engelse Kennel Club, dient een Labrador een sterk gebouwde hond te zijn, kort in lendenen, bijzonder actief, breed in schedel, breed en diep in borst en ribben, breed en sterk in lendenen en achterhand. Onder het kopje ‘Typische raskenmerken’ staat in deze standaard: “Goed temperament, erg behendig. Buitengewoon goede neus, zacht in de mond, uitgesproken liefhebber van water. Een toegewijde, zich gemakkelijk aanpassende metgezel”. En over het temperament vervolgt de rasstandaard: “Intelligent, levendig en gezeglijk, met een sterke wil zijn baas te behagen. Vriendelijk karakter zonder spoor van agressie of ongepaste schuwheid”.

De vacht moet kort en dicht zijn, vrij hard aanvoelend, met een weerbestendige ondervacht. Zwart, geel of lever/chocoladekleurig, waarbij de gele kleur kan variëren van licht roomkleurig tot vossenrood. Een kleine witte vlek op de borst is toegestaan. De Labrador is een vriendelijke, vrolijke hond, die goed omgaat met kinderen. Zoals alle jachthonden heeft hij veel beweging nodig. Zijn goede neus, behendigheid en trainbaarheid maken hem geschikt voor actieve mensen en voor het beoefenen van diverse hondensporten. Ook als u een Labrador als huishond wilt aanschaffen, is een basistraining noodzakelijk.